Het boek Help, ik heb een puber! werd me aangeraden op zo’n moment dat ik dacht: volgens mij doe ik maar wat. Tobias zit inmiddels in de (beginnende) puberfase en hoewel ik hem natuurlijk al jaren ken, voelt het soms alsof er ineens een nieuwe versie is geïnstalleerd zonder dat ik de handleiding ken. Minder vertellen, meer zuchten, en een opvallend talent om precies op het verkeerde moment ongemakkelijke dingen te mompelen. Dus dacht ik: misschien wordt het tijd om me hier nog eens wat extra in te verdiepen en wat bij te leren over deze fase.
Wat me meteen raakte in het boek, was de beschrijving van verschillende ouderreacties. Blijkbaar ben ik afwisselend een struisvogel en een buideldier. De struisvogel in mij denkt soms: als ik het gedrag even negeer, waait het vanzelf over. Niet zien, niet voelen, gewoon hopen dat alles vanzelf weer gezellig wordt. En eerlijk? Soms werkt dat ook best prima.
Maar dan is er ook mijn innerlijke buideldier. Die wil Tobias het liefst dicht bij zich houden, helpen, beschermen, meedenken, voelen wat hij voelt en alvast oplossen voordat het moeilijk wordt. Alleen… pubers blijken helemaal niet continu in die buidel te willen zitten. Ze willen oefenen met loskomen, zelfs als dat rommelig gaat. En dat is voor mij misschien wel het lastigste stuk: ik wil graag zorgen, maar moet nu wat meer loslaten.
Wat ik vooral heb geleerd van de eerste helft van het boek, is dat opvoeden nu minder gaat over sturen en meer over beschikbaar zijn als een gezonde volwassen ouder. Tobias hoeft geen perfecte moeder, maar wel eentje die soms haar kop uit het zand haalt én soms bewust een stapje achteruit doet. Ik ben benieuwd wat ik van de rest van het boek ga leren 😊
